Aangrijnzen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikgrijns aangrijnsde aanheb aangegrijnsd
jij, je, ugrijnst aangrijnsde aanhebt aangegrijnsd
hij, zij, hetgrijnst aangrijnsde aanheeft aangegrijnsd
wijgrijnzen aangrijnsden aanhebben aangegrijnsd
julliegrijnzen aangrijnsden aanhebben aangegrijnsd
zij, zegrijnzen aangrijnsden aanhebben aangegrijnsd