Aankaarten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkaart aankaartte aanheb aangekaart
jij, je, ukaart aankaartte aanhebt aangekaart
hij, zij, hetkaart aankaartte aanheeft aangekaart
wijkaarten aankaartten aanhebben aangekaart
julliekaarten aankaartten aanhebben aangekaart
zij, zekaarten aankaartten aanhebben aangekaart