Aankoeken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkoek aankoekte aanben aangekoekt
jij, je, ukoekt aankoekte aanbent aangekoekt
hij, zij, hetkoekt aankoekte aanis aangekoekt
wijkoeken aankoekten aanzijn aangekoekt
julliekoeken aankoekten aanzijn aangekoekt
zij, zekoeken aankoekten aanzijn aangekoekt