Aankruisen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkruis aankruiste aanheb aangekruist
jij, je, ukruist aankruiste aanhebt aangekruist
hij, zij, hetkruist aankruiste aanheeft aangekruist
wijkruisen aankruisten aanhebben aangekruist
julliekruisen aankruisten aanhebben aangekruist
zij, zekruisen aankruisten aanhebben aangekruist