Aanmengen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmeng aanmengde aanheb aangemengd
jij, je, umengt aanmengde aanhebt aangemengd
hij, zij, hetmengt aanmengde aanheeft aangemengd
wijmengen aanmengden aanhebben aangemengd
julliemengen aanmengden aanhebben aangemengd
zij, zemengen aanmengden aanhebben aangemengd