Aanzuren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzuur aanzuurde aanheb aangezuurd
jij, je, uzuurt aanzuurde aanhebt aangezuurd
hij, zij, hetzuurt aanzuurde aanheeft aangezuurd
wijzuren aanzuurden aanhebben aangezuurd
julliezuren aanzuurden aanhebben aangezuurd
zij, zezuren aanzuurden aanhebben aangezuurd