Acclimatiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikacclimatiseeracclimatiseerdeheb geacclimatiseerd
jij, je, uacclimatiseertacclimatiseerdehebt geacclimatiseerd
hij, zij, hetacclimatiseertacclimatiseerdeheeft geacclimatiseerd
wijacclimatiserenacclimatiseerdenhebben geacclimatiseerd
jullieacclimatiserenacclimatiseerdenhebben geacclimatiseerd
zij, zeacclimatiserenacclimatiseerdenhebben geacclimatiseerd