Afdrukken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdruk afdrukte afheb afgedrukt
jij, je, udrukt afdrukte afhebt afgedrukt
hij, zij, hetdrukt afdrukte afheeft afgedrukt
wijdrukken afdrukten afhebben afgedrukt
julliedrukken afdrukten afhebben afgedrukt
zij, zedrukken afdrukten afhebben afgedrukt