Affecteren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikaffecteeraffecteerdeheb geaffecteerd
jij, je, uaffecteertaffecteerdehebt geaffecteerd
hij, zij, hetaffecteertaffecteerdeheeft geaffecteerd
wijaffecterenaffecteerdenhebben geaffecteerd
jullieaffecterenaffecteerdenhebben geaffecteerd
zij, zeaffecterenaffecteerdenhebben geaffecteerd