Afreizen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikreis afreisde afheb afgereisd
jij, je, ureist afreisde afhebt afgereisd
hij, zij, hetreist afreisde afheeft afgereisd
wijreizen afreisden afhebben afgereisd
julliereizen afreisden afhebben afgereisd
zij, zereizen afreisden afhebben afgereisd