Afruimen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikruim afruimde afheb afgeruimd
jij, je, uruimt afruimde afhebt afgeruimd
hij, zij, hetruimt afruimde afheeft afgeruimd
wijruimen afruimden afhebben afgeruimd
jullieruimen afruimden afhebben afgeruimd
zij, zeruimen afruimden afhebben afgeruimd