Afscheiden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikscheid afscheidde afheb afgescheiden
jij, je, uscheidt afscheidde afhebt afgescheiden
hij, zij, hetscheidt afscheidde afheeft afgescheiden
wijscheiden afscheidden afhebben afgescheiden
julliescheiden afscheidden afhebben afgescheiden
zij, zescheiden afscheidden afhebben afgescheiden