Afschilderen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikschilder afschilderde afheb afgeschilderd
jij, je, uschildert afschilderde afhebt afgeschilderd
hij, zij, hetschildert afschilderde afheeft afgeschilderd
wijschilderen afschilderden afhebben afgeschilderd
jullieschilderen afschilderden afhebben afgeschilderd
zij, zeschilderen afschilderden afhebben afgeschilderd