Afsjacheren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksjacher afsjacherde afheb afgesjacherd
jij, je, usjachert afsjacherde afhebt afgesjacherd
hij, zij, hetsjachert afsjacherde afheeft afgesjacherd
wijsjacheren afsjacherden afhebben afgesjacherd
julliesjacheren afsjacherden afhebben afgesjacherd
zij, zesjacheren afsjacherden afhebben afgesjacherd