Afsmelten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksmelt afsmolt afben afgesmolten
jij, je, usmelt afsmolt afbent afgesmolten
hij, zij, hetsmelt afsmolt afis afgesmolten
wijsmelten afsmolten afzijn afgesmolten
julliesmelten afsmolten afzijn afgesmolten
zij, zesmelten afsmolten afzijn afgesmolten