Aspireren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikaspireeraspireerdeheb geaspireerd
jij, je, uaspireertaspireerdehebt geaspireerd
hij, zij, hetaspireertaspireerdeheeft geaspireerd
wijaspirerenaspireerdenhebben geaspireerd
jullieaspirerenaspireerdenhebben geaspireerd
zij, zeaspirerenaspireerdenhebben geaspireerd