Auditeren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikauditeerauditeerdeheb geauditeerd
jij, je, uauditeertauditeerdehebt geauditeerd
hij, zij, hetauditeertauditeerdeheeft geauditeerd
wijauditerenauditeerdenhebben geauditeerd
jullieauditerenauditeerdenhebben geauditeerd
zij, zeauditerenauditeerdenhebben geauditeerd