Krozen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkrooskroosdeheb gekroosd
jij, je, ukroostkroosdehebt gekroosd
hij, zij, hetkroostkroosdeheeft gekroosd
wijkrozenkroosdenhebben gekroosd
julliekrozenkroosdenhebben gekroosd
zij, zekrozenkroosdenhebben gekroosd