Lamineren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklamineerlamineerdeheb gelamineerd
jij, je, ulamineertlamineerdehebt gelamineerd
hij, zij, hetlamineertlamineerdeheeft gelamineerd
wijlaminerenlamineerdenhebben gelamineerd
jullielaminerenlamineerdenhebben gelamineerd
zij, zelaminerenlamineerdenhebben gelamineerd