Leegstromen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikstroom leegstroomde leegben leeggestroomd
jij, je, ustroomt leegstroomde leegbent leeggestroomd
hij, zij, hetstroomt leegstroomde leegis leeggestroomd
wijstromen leegstroomden leegzijn leeggestroomd
julliestromen leegstroomden leegzijn leeggestroomd
zij, zestromen leegstroomden leegzijn leeggestroomd