Leven

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikleefleefdeheb geleefd
jij, je, uleeftleefdehebt geleefd
hij, zij, hetleeftleefdeheeft geleefd
wijlevenleefdenhebben geleefd
jullielevenleefdenhebben geleefd
zij, zelevenleefdenhebben geleefd