Maskeren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmaskeermaskeerdeheb gemaskeerd
jij, je, umaskeertmaskeerdehebt gemaskeerd
hij, zij, hetmaskeertmaskeerdeheeft gemaskeerd
wijmaskerenmaskeerdenhebben gemaskeerd
julliemaskerenmaskeerdenhebben gemaskeerd
zij, zemaskerenmaskeerdenhebben gemaskeerd