Materialiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmaterialiseermaterialiseerdeheb gematerialiseerd
jij, je, umaterialiseertmaterialiseerdehebt gematerialiseerd
hij, zij, hetmaterialiseertmaterialiseerdeheeft gematerialiseerd
wijmaterialiserenmaterialiseerdenhebben gematerialiseerd
julliematerialiserenmaterialiseerdenhebben gematerialiseerd
zij, zematerialiserenmaterialiseerdenhebben gematerialiseerd