Meeroken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikrook meerookte meeheb meegerookt
jij, je, urookt meerookte meehebt meegerookt
hij, zij, hetrookt meerookte meeheeft meegerookt
wijroken meerookten meehebben meegerookt
jullieroken meerookten meehebben meegerookt
zij, zeroken meerookten meehebben meegerookt