Meubileren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmeubileermeubileerdeheb gemeubileerd
jij, je, umeubileertmeubileerdehebt gemeubileerd
hij, zij, hetmeubileertmeubileerdeheeft gemeubileerd
wijmeubilerenmeubileerdenhebben gemeubileerd
julliemeubilerenmeubileerdenhebben gemeubileerd
zij, zemeubilerenmeubileerdenhebben gemeubileerd