Moderniseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmoderniseermoderniseerdeheb gemoderniseerd
jij, je, umoderniseertmoderniseerdehebt gemoderniseerd
hij, zij, hetmoderniseertmoderniseerdeheeft gemoderniseerd
wijmoderniserenmoderniseerdenhebben gemoderniseerd
julliemoderniserenmoderniseerdenhebben gemoderniseerd
zij, zemoderniserenmoderniseerdenhebben gemoderniseerd