Monken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmonkmonkteheb gemonkt
jij, je, umonktmonktehebt gemonkt
hij, zij, hetmonktmonkteheeft gemonkt
wijmonkenmonktenhebben gemonkt
julliemonkenmonktenhebben gemonkt
zij, zemonkenmonktenhebben gemonkt