Nalezen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklees nalas naheb nagelezen
jij, je, uleest nalas nahebt nagelezen
hij, zij, hetleest nalas naheeft nagelezen
wijlezen nalazen nahebben nagelezen
jullielezen nalazen nahebben nagelezen
zij, zelezen nalazen nahebben nagelezen