Omsingelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikomsingelomsingeldeheb omsingeld
jij, je, uomsingeltomsingeldehebt omsingeld
hij, zij, hetomsingeltomsingeldeheeft omsingeld
wijomsingelenomsingeldenhebben omsingeld
jullieomsingelenomsingeldenhebben omsingeld
zij, zeomsingelenomsingeldenhebben omsingeld