Omtoveren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iktover omtoverde omheb omgetoverd
jij, je, utovert omtoverde omhebt omgetoverd
hij, zij, hettovert omtoverde omheeft omgetoverd
wijtoveren omtoverden omhebben omgetoverd
jullietoveren omtoverden omhebben omgetoverd
zij, zetoveren omtoverden omhebben omgetoverd