Onderscheiden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikonderscheidonderscheiddeheb onderscheiden
jij, je, uonderscheidtonderscheiddehebt onderscheiden
hij, zij, hetonderscheidtonderscheiddeheeft onderscheiden
wijonderscheidenonderscheiddenhebben onderscheiden
jullieonderscheidenonderscheiddenhebben onderscheiden
zij, zeonderscheidenonderscheiddenhebben onderscheiden