Ontlenen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikontleenontleendeheb ontleend
jij, je, uontleentontleendehebt ontleend
hij, zij, hetontleentontleendeheeft ontleend
wijontlenenontleendenhebben ontleend
jullieontlenenontleendenhebben ontleend
zij, zeontlenenontleendenhebben ontleend