Ontspiegelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikontspiegelontspiegeldeheb ontspiegeld
jij, je, uontspiegeltontspiegeldehebt ontspiegeld
hij, zij, hetontspiegeltontspiegeldeheeft ontspiegeld
wijontspiegelenontspiegeldenhebben ontspiegeld
jullieontspiegelenontspiegeldenhebben ontspiegeld
zij, zeontspiegelenontspiegeldenhebben ontspiegeld