Opblinken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikblink opblonk opheb opgeblonken
jij, je, ublinkt opblonk ophebt opgeblonken
hij, zij, hetblinkt opblonk opheeft opgeblonken
wijblinken opblonken ophebben opgeblonken
jullieblinken opblonken ophebben opgeblonken
zij, zeblinken opblonken ophebben opgeblonken