Opdienen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdien opdiende opheb opgediend
jij, je, udient opdiende ophebt opgediend
hij, zij, hetdient opdiende opheeft opgediend
wijdienen opdienden ophebben opgediend
julliedienen opdienden ophebben opgediend
zij, zedienen opdienden ophebben opgediend