Vertienvoudigen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvertienvoudigvertienvoudigdeheb vertienvoudigd
jij, je, uvertienvoudigtvertienvoudigdehebt vertienvoudigd
hij, zij, hetvertienvoudigtvertienvoudigdeheeft vertienvoudigd
wijvertienvoudigenvertienvoudigdenhebben vertienvoudigd
jullievertienvoudigenvertienvoudigdenhebben vertienvoudigd
zij, zevertienvoudigenvertienvoudigdenhebben vertienvoudigd