Vertonen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvertoonvertoondeheb vertoond
jij, je, uvertoontvertoondehebt vertoond
hij, zij, hetvertoontvertoondeheeft vertoond
wijvertonenvertoondenhebben vertoond
jullievertonenvertoondenhebben vertoond
zij, zevertonenvertoondenhebben vertoond