Verwonderen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverwonderverwonderdeheb verwonderd
jij, je, uverwondertverwonderdehebt verwonderd
hij, zij, hetverwondertverwonderdeheeft verwonderd
wijverwonderenverwonderdenhebben verwonderd
jullieverwonderenverwonderdenhebben verwonderd
zij, zeverwonderenverwonderdenhebben verwonderd