Vigileren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvigileervigileerdeheb gevigileerd
jij, je, uvigileertvigileerdehebt gevigileerd
hij, zij, hetvigileertvigileerdeheeft gevigileerd
wijvigilerenvigileerdenhebben gevigileerd
jullievigilerenvigileerdenhebben gevigileerd
zij, zevigilerenvigileerdenhebben gevigileerd