Vissen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvisvisteheb gevist
jij, je, uvistvistehebt gevist
hij, zij, hetvistvisteheeft gevist
wijvissenvistenhebben gevist
jullievissenvistenhebben gevist
zij, zevissenvistenhebben gevist