Voormeten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmeet voormat voorheb voorgemeten
jij, je, umeet voormat voorhebt voorgemeten
hij, zij, hetmeet voormat voorheeft voorgemeten
wijmeten voormaten voorhebben voorgemeten
julliemeten voormaten voorhebben voorgemeten
zij, zemeten voormaten voorhebben voorgemeten