Voorprogrammeren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikprogrammeer voorprogrammeerde voorheb voorgeprogrammeerd
jij, je, uprogrammeert voorprogrammeerde voorhebt voorgeprogrammeerd
hij, zij, hetprogrammeert voorprogrammeerde voorheeft voorgeprogrammeerd
wijprogrammeren voorprogrammeerden voorhebben voorgeprogrammeerd
jullieprogrammeren voorprogrammeerden voorhebben voorgeprogrammeerd
zij, zeprogrammeren voorprogrammeerden voorhebben voorgeprogrammeerd