Voorzingen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzing voorzong voorheb voorgezongen
jij, je, uzingt voorzong voorhebt voorgezongen
hij, zij, hetzingt voorzong voorheeft voorgezongen
wijzingen voorzongen voorhebben voorgezongen
julliezingen voorzongen voorhebben voorgezongen
zij, zezingen voorzongen voorhebben voorgezongen