Vrijlopen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikloop vrijliep vrijben vrijgelopen
jij, je, uloopt vrijliep vrijbent vrijgelopen
hij, zij, hetloopt vrijliep vrijis vrijgelopen
wijlopen vrijliepen vrijzijn vrijgelopen
jullielopen vrijliepen vrijzijn vrijgelopen
zij, zelopen vrijliepen vrijzijn vrijgelopen