Wegslikken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikslik wegslikte wegheb weggeslikt
jij, je, uslikt wegslikte weghebt weggeslikt
hij, zij, hetslikt wegslikte wegheeft weggeslikt
wijslikken wegslikten weghebben weggeslikt
jullieslikken wegslikten weghebben weggeslikt
zij, zeslikken wegslikten weghebben weggeslikt