Wegsluiten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksluit wegsloot wegheb weggesloten
jij, je, usluit wegsloot weghebt weggesloten
hij, zij, hetsluit wegsloot wegheeft weggesloten
wijsluiten wegsloten weghebben weggesloten
julliesluiten wegsloten weghebben weggesloten
zij, zesluiten wegsloten weghebben weggesloten