Zwijgen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzwijgzweegheb gezwegen
jij, je, uzwijgtzweeghebt gezwegen
hij, zij, hetzwijgtzweegheeft gezwegen
wijzwijgenzwegenhebben gezwegen
julliezwijgenzwegenhebben gezwegen
zij, zezwijgenzwegenhebben gezwegen