Aanbesteden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbesteed aanbesteedde aanheb aanbesteed
jij, je, ubesteedt aanbesteedde aanhebt aanbesteed
hij, zij, hetbesteedt aanbesteedde aanheeft aanbesteed
wijbesteden aanbesteedden aanhebben aanbesteed
julliebesteden aanbesteedden aanhebben aanbesteed
zij, zebesteden aanbesteedden aanhebben aanbesteed