Aaneengrenzen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikgrens aaneengrensde aaneenheb aaneengegrensd
jij, je, ugrenst aaneengrensde aaneenhebt aaneengegrensd
hij, zij, hetgrenst aaneengrensde aaneenheeft aaneengegrensd
wijgrenzen aaneengrensden aaneenhebben aaneengegrensd
julliegrenzen aaneengrensden aaneenhebben aaneengegrensd
zij, zegrenzen aaneengrensden aaneenhebben aaneengegrensd