Aanfruiten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikfruit aanfruitte aanheb aangefruit
jij, je, ufruit aanfruitte aanhebt aangefruit
hij, zij, hetfruit aanfruitte aanheeft aangefruit
wijfruiten aanfruitten aanhebben aangefruit
julliefruiten aanfruitten aanhebben aangefruit
zij, zefruiten aanfruitten aanhebben aangefruit